Historie

Geschiedenis van de Dordtse parochie

Tot de reformatie van 1572 in Dordrecht haar beslag kreeg waren alle kerken en kapellen in Dordrecht voor de Rooms-Katholieke eredienst in gebruik. Met de komst van de watergeuzen in de stad nam het stadsbestuur alle godshuizen in beslag, en gaf een deel daarvan in gebruik  aan de gereformeerde kerk. De Katholieken wisten een aantal bezittingen mee te nemen en zo is onze kerk nog altijd in het bezit van kazuifels (priestergewaden) en Misgerei uit de Grote Kerk van de tijd van voor de reformatie. Katholieken konden in het vervolg alleen nog maar in het geheim bij elkaar komen om de Eucharistie te vieren. Rijke burgers stelden hun huizen daarvoor beschikbaar, maar riskeerden daarmee boetes, verbanning of in beslagname van goederen.


Vorming van eigen kerkelijke gemeenten werd mogelijk na de wettelijke afkondiging van een soort gedoogbeleid in 1650 voor de gehele noord-Nederlandse republiek, waarmee een op veel plaatsen al bestaande praktijk gewettigd werd. Dit beleid hield in dat Katholieken (en diverse andere niet-gereformeerde kerken) hun eigen godshuizen mochten bouwen, mits die niet (als zodanig) zichtbaar zouden zijn vanaf de openbare weg. Verder mochten er geen processies worden gehouden en moesten de parochies jaarlijks zogenaamde ‘recognitiegelden’ betalen aan de stedelijke overheid. Hiermee eindigt de periode van de ‘huiskerken’ en begint die van de ‘schuilkerken’. Vanuit de Dordtse huiskerken ontwikkelden zich vanaf de tweede helft van de 17e eeuw twee staties (later parochies): Maria Minor aan de Hoge Nieuwstraat en de Maria Maior aan de Voorstraat.


Door de reformatie was de Katholieke Kerk in Holland in een isolement van Rome geraakt en een naar binnen gekeerde gemeenschap geworden. Dit feit en kerkpolitieke en theologische redenen zorgden er voor dat er steeds meer gescheiden groepen ontstonden binnen de Katholieke Kerk. Toen de apostolische vicaris Petrus Codde in 1702 op verdenking van Jansenisme geschorst werd meende men in Holland van het aloude middeleeuwse kerkrecht gebruik te kunnen maken en in 1723 resulteerde dat in een eigen bisschopskeuze. Deze bisschop werd echter door Rome niet geaccepteerd. Een deel van de geestelijkheid in Holland en Utrecht bleef hem steunen, zo ook de beide Dordtse pastoors. Zo komt het dat beide parochies overgingen tot de 'Roomsch-Katholijke Kerk der Oud-Bisschoppelijke Clerezij', zoals de officiële naam van de kerk nog steeds luidt (zie ook de pagina Oud-Katholiek).
Kort daarop werd er in 1735 een missie ondernomen van 'roomsgetrouwe' priesters en religieuzen naar Dordrecht, hetgeen resulteerde in een derde schuilkerk op een terrein tussen de Kuipershaven en de Wijnstraat. Deze is in de negentiende eeuw gesloopt en vervangen door de Bonifatiuskerk aan de Wijnstraat.

In 1792 werd de schuilkerk Maria Minor aan de Hoge Nieuwstraat gesloten en de parochie verenigd met Maria Maior. Gedurende de tweede helft van de 18e en eerste helft van de 19e eeuw verloor de 'Clerezy' veel aanhang, maar na omstreeks 1860 was er sprake van een duidelijk merkbare groei. Dat had vooral te maken met de Maria-dogma's in de Rooms-katholieke Kerk, alsmede het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. Voor veel Rooms-Katholieken was dit niet meer te accepteren en velen gingen over naar de 'Clerezie'. Vanaf die tijd leefde ook de Dordtsche gemeenschap weer op en had in de jaren '20 zelfs een kerkkoor van rond de 20 personen. Dit zakte later weer terug, veroorzaakt door verhuizing van parochianen naar elders en het secularisatieproces van na 1960 dat ook aan onze kerk niet is voorbijgegaan.

Buiten ieders verwachting leefde de parochie na ± 1985 weer op tot wat zij nu is: een gemeenschap van rond de 100 personen. Mensen die wekelijks hun geloof belijden in deze ruimte, en u graag iets laten zien van de schoonheid van het gebouw en de geschiedenis maar ook het huidige leven van de gemeenschap, waarin zij met elkaar rond Woord en Sacramenten bijeenkomen.

Oud-katholieke parochie H. Maria Maior, Dordrecht | Techniek: SiteCan, Hilversum