lezingen 19 juli 2020

19 juli

1e Schriftlezing Wijsheid 12, 13-19

13Buiten U is er immers geen God

die zorg draagt voor iedereen,

zodat U zou moeten bewijzen

dat U niet onrechtvaardig gevonnist hebt.

Gods kracht

14Ook is er geen koning of heerser die U kan trotseren

wanneer U iemand gestraft hebt.

15Omdat U rechtvaardig bent,

bestuurt U alles rechtvaardig;

iemand veroordelen die geen straf verdient

acht U onverenigbaar met uw macht.

16Want uw kracht is de bron van de gerechtigheid

en uw heerschappij over iedereen

maakt dat U iedereen spaart.

17Waar niet wordt geloofd in de volkomenheid van uw macht,

daar toont U uw kracht

en bij degenen die haar kennen

beschaamt U de vermetelheid.

18U hebt de heerschappij over de kracht,

U oordeelt met zachtheid

en regeert met grote mildheid over ons,

want wanneer U maar wilt, staat de macht tot uw dienst.

Gods les: gelegenheid tot inkeer

19Door zo te doen hebt U uw volk geleerd

dat de rechtvaardige menslievend moet zijn

en hebt U uw zonen goede hoop gegeven

dat U gelegenheid tot inkeer geeft waar gezondigd wordt.


2e Schriftlezing Romeinen 8, 18-25

De hoop van Gods kinderen

18Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. 20Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. 23En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. 24Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 

 


Evangelie Matteüs 13, 24-30 en 36-43

Andere gelijkenissen

24Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker. 25Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. 26Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn. 27Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? 28Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? 29Hij zeide: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken. 30Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.

(31Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. 32Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.

33Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.

34Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, 35opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide:

Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is.)

Onderwijs der discipelen

36Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar huis. En zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk. 37Hij antwoordde en zeide: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; 38de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; 39het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen. 40Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. 41De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, 42en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. 43Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore!

Oud-katholieke parochie H. Maria Maior, Dordrecht | Techniek: SiteCan, Hilversum